subscribe to the RSS Feed

Mens waar ben je?

Mens, waar ben je? Geven we thuis als we geroepen worden om zorg te dragen voor ons gemeenschappelijke huis? Of verschuilen we ons net als Adam en Eva deden toen God hun riep. Een bijdrage van Marjolein Tiemens-Hulscher in het kader van de ‘groene overwegingen.’

Overweging
(Genesis 3, 9-15, 2 Kor. 4, 13-5, 1, Mc. 3, 20-35)

“Mens, waar ben je?” God loop door de tuin en zoekt Adam en Eva. Wat komt God doen? Is hij benieuwd hoe het met ze gaat en komt hij langs voor een praatje? God kan ze niet vinden en roept nog maar eens: “Mens, waar ben je?” De man en de vrouw hebben zich verscholen. Net als een kind dat doet als hij zijn moeder hoort roepen en hij weet dat hij ondeugend is geweest. “Zou ze weten wat ik heb gedaan? Zou ze boos zijn? Zal ik straf krijgen?”

 

Godsbeeld

Hoe moeten we luisteren naar de verhalen van vandaag? Hoe de vraag “Mens, waar ben je?” op je overkomt hangt heel sterk af van je Godsbeeld. Als je een streng Godsbeeld hebt kan de vraag heel bedreigend overkomen. Alsof je op het matje geroepen wordt. Je moet met de billen bloot. Het liefst zou je je dan willen verschuilen.

Maar wat als de vraag uit liefde wordt gesteld? Door een God die barmhartig is en die betrokken is bij wat we doen en ons overkomt? Dan wordt de vraag “Mens, waar ben je?” een heel andere vraag. Een vraag van belangstelling. Een vraag om je bewust te zijn waar je mee bezig bent, wat je doet. Maar ook een vraag naar wie je bent. “Mens, wie ben je?” Als je wordt bevraagd, wordt duidelijk wie je bent.

 

Ja, maar……

“Mens, waar ben je?” Adam en Eva komen schoorvoetend tevoorschijn. God vraagt wat er toch aan de hand is. Hij heeft een vermoeden: “Jullie hebben toch niet van de boom gegeten die ik verboden heb?” En dan komt het hoge woord eruit. Jawel, dus. Adam schuift de verantwoordelijkheid echter meteen door naar Eva: “De vrouw heeft mij van de boom gegeven.” Eva laat dat niet op zich zitten en geeft de slang de schuld: “De slang heeft mij verleid en toen heb ik gegeten.”

Het is zo herkenbaar. We zien het elke dag om ons heen dat schuld en verantwoordelijkheid worden doorgeschoven. Bij kinderen op het schoolplein: hij begon, in de politiek, maar ook bij ons zelf. Waar zijn wij als het gaat om de opvang van vluchtelingen, om aandacht voor je kinderen of ouders als je het heel druk hebt. Waar zijn wij als we moeten kiezen tussen eigen belang of het algemeen welzijn?

 

Geven we thuis?

“Mens, waar ben je?” Paus Franciscus vraagt ons zorg te dragen voor ons gemeenschappelijke huis. Geven we thuis of verschuilen we ons? Verschuilen lijkt soms de makkelijkste weg, hopen dat het allemaal vanzelf wel over gaat. Maar we kunnen ons niet verschuilen achter onverschilligheid of de gedachte dat de techniek en de wetenschap de klimaatcrisis wel zullen oplossen. Dat anderen het wel voor ons zullen doen. Zo eenvoudig is het nu eenmaal niet. Wij zullen ook onze eigen verantwoordelijkheid moeten nemen. Niet omdat dat door de overheid of wie dan ook wordt opgelegd, maar uit liefde. Uit liefde voor onze naaste, uit liefde voor de Aarde, uit liefde voor God en voor Jezus zijn zoon die het ons heeft voorgeleefd.

 

Niet Satan, maar God

In het evangelieverhaal laat Jezus zich steeds meer kennen. De mensen tasten nog in het duister wie hij is. Schriftgeleerden waren zelfs helemaal vanuit Jeruzalem naar Kafarnaüm gekomen om uit te zoeken wat Jezus deed, en hoe hij daartoe in staat was. Zij dachten dat Hij door de opperdemon Beëlzubul bezeten moest zijn. Hoe zou Hij anders demonen uit kunnen drijven?

Jezus laat zien dat het niet Satan is die in hem werkt, maar God. “Ik genees mensen en drijf duivels uit omdat ik het goede wil brengen in deze wereld, zegt hij. “Ik doe dat niet in naam van de Satan maar in naam van God. Satan is uit op verwarring en verdeeldheid. God streeft naar het bijeenbrengen van mensen.”

Ook wij mogen ons tot Jezus keren en vragen dat hij ons wil bevrijden van ónze demonen, van ónze zucht naar macht en geld, van jaloezie en agressie, van hebzucht en onverschilligheid, van ongeduld. Van alle belemmeringen die ons ervan weerhouden het goede te zien en te doen. Van al die kwade machten die zo heel ongemerkt bij ons binnen sluipen en ons, net als de slang, verleiden om te kiezen voor het makkelijke leven, om te kiezen voor eigen welvaart misschien wel ten koste van het welzijn van de ander of van de natuur.

 

Het onzichtbare

“Maar wij bezitten de geest van geloof waarover geschreven staat: Ik heb geloofd en daarom heb ik gesproken,” schrijft Paulus in zijn brief aan de Korintiërs maar ook aan ons. Gods Geest zal ons helpen op onze weg. Gods Geest werkte in Jezus en zal ook in ons werken als wij ons daarvoor openstellen. Gods Geest kan ons helpen om onze demonen om te buigen, om te vormen tot een bron van passie en energie om vol overgave mee te werken aan een nieuwe wereld. Een wereld waarin we het oog niet op het zichtbare maar op het onzichtbare gericht houden, want het zichtbare gaat voorbij, maar het onzichtbare duurt eeuwig.

Zo vroeg een onderzoeker eens aan 100 proefpersonen van jong en oud, arm en rijk: “Stel dat je geheugen wordt gewist tijdens de overgang naar het hiernamaals. Maar dat je één herinnering mag kiezen die dan tot in de eeuwigheid wordt afgespeeld. Welke zou dat zijn?” De herinnering die de proefpersonen kozen gingen zonder uitzondering niet over materiële zaken, maar over het onzichtbare, over liefde. Samen een mooie wandeling maken, de kinderen naar bed brengen en voorlezen, genieten van een mooie zonsondergang of muziek, het verzorgen van een dementerende moeder.

Welke herinnering zou u kiezen om mee te nemen naar het hiernamaals?

 

Liefde is verbondenheid

Liefde is verbondenheid. Voor mij is dat verbondenheid met de ander, met al wat leeft, met heel de Aarde en met God. Die liefde maakt dat we kunnen openstaan voor verwondering voor de natuur en genieten van haar schoonheid. Die liefde maakt dat we ons betrokken voelen bij mensen dichtbij en ver weg, van nu en van later. Liefde, barmhartigheid het onzichtbare dat eeuwig duurt.

“Mens, waar ben je?” De kerk, de geloofsgemeenschap is misschien wel dé plaats waar we die vraag aan elkaar moeten stellen. De kerk is een oefenplaats, een plek van bemoediging, bezinning, meditatie en gebed. Elkaar bevragen betekent niet dat we elkaar beoordelen, veroordelen of willen betuttelen. Als we ons laten bevragen leren we ook ons zelf kennen en blijven we alert bij wat we doen. God heeft ons geschapen naar zijn beeld en hoopt dat wij een beetje meer op hem gaan gelijken. Jezus heeft ons voorgeleefd. Wij mogen het weer voorleven aan anderen.

Marjolein Tiemens-Hulscher
10 juni 2018