subscribe to the RSS Feed

Groene theologie

Dit voorjaar verscheen het boek ‘Groene theologie’ van Trees van Montfoort. Het is het meest omvangrijke boek (320 pagina’s) over dit thema in het Nederlandse taalgebied tot nu toe. Het verdient om verschillende redenen goede aandacht: door de aansluiting bij de actualiteit, de keuze van de subthema’s, de overzichtelijkheid van inhoud en de brede toegankelijkheid van het boek door haar taalgebruik.
Trees van Montfoort is theologe en heeft een ruime ervaring als gemeentepredikant en in journalistiek functies. Vanuit haar biografie heeft zij zowel kennis van het Rooms-Katholieke als het Protestantse kerkelijke veld. In die zin is het ook een oecumenisch boek.

Vergroening van de theologie

De aandacht binnen de Nederlandse kerken voor natuur, milieu en klimaat kent golfbewegingen. In de jaren zeventig ontstond er in het spoor van de het rapport van de Club van Rome binnen de kerken een brede beweging voor een Nieuwe Levensstijl. Milieu, vooral het anders omgaan met energie, was daarin een belangrijk thema. Maar ook verkeer, reclame en vleesgebruik krijgen aandacht. Het is in onze tijd opvallend, zo niet  bijna onthutsend (45 jaar geleden!), om in de ‘Oproep van de Raad van Kerken in Nederland’, die door veel kerken werd overgenomen, te lezen dat er met name wordt gedacht aan ‘een vermindering van het gebruik van dierlijke producten, nu vastgesteld is dat overmatige hoeveelheden graan worden gebruikt voor de productie van vlees’.
Verschillende thema’s werden ook theologisch nieuw belicht, het begin van een ‘groene theologie’, hoewel de nadruk vaak meer viel op een nieuwe visie op het sociale (het bijbels ander omgaan met arbeid en tijd) dan op de natuur. Wel waren wat de natuur betreft en de bijbelse visie op dieren de boeken van Hans Bouma baanbrekend.

Door de grote aandacht voor het thema vrede rond de jaren tachtig verdween het thema naar de achtergrond. Maar een nieuwe golf van vergroening kwam er met het Conciliair Proces, eind jaren tachtig. Van de drie thema’s  gerechtigheid, vrede en heelheid van de schepping kreeg het laatste de meeste aandacht. Ook omdat voor het eerst de ernst van de klimaatverandering voor een breder publieke zichtbaar werd.
Tussen 1987 en 1995 verschenen minstens tien boeken van Nederlandse theologen die als belangrijkste thema ecologische theologie hadden (soms onder noemers als spiritualiteit of milieuethiek). In het spoor van het Conciliair Proces ontstond ook de werkgroep Kerk en Milieu van de Raad van Kerken die 15 jaar lang het blad Kerk en Milieu uitgaven, waarin ook veel aspecten van milieu theologie aan bod kwamen. Aan R. K. kant verscheen er veel vanuit de Franciscaanse Samenwerking op het terrein van milieutheologie en spiritualiteit, concreet vorm gegeven in de levende gemeenschap van het milieuklooster Stoutenburg.

De aandacht en het aantal plaatselijk kerkelijke werkgroepen rond het thema deelde in de golfbeweging. Korte oplevingen waren er na de grote milieuconferenties in Kopenhagen (2009) en Parijs (2015).

Het boek van Trees van Montfoort verschijnt op een uitgelezen moment. Dit jaar zijn de levensbedreigende ontwikkelingen rond klimaatverandering en biodiversiteit bijna dagelijks in het nieuws, met vergaande politieke gevolgen die in het leven van alledag gaan ingrijpen. Binnen de kerken neemt de aandacht toe, maar van een golf kan nog nauwelijks gesproken worden. Maar de encycliek van de Paus in 2015, ‘Laudato Si’ heeft voor alle kerken in de wereld een frisse wind doen ontstaan, die hopelijk nog lang gaat doorwerken. Het is te hopen dat ook ‘Groene Theologie’ gaat bijdragen aan de kwaliteit en de omvang van een nieuwe kerkelijke golfbeweging. Het boek heeft wat dat betreft veel te bieden.

Het andere wereldbeeld van de bijbel

In het eerste hoofdstuk ‘Theologie en duurzaamheid ’wordt een algemeen beeld geschetst van deze verhouding, tegen de achtergrond van veranderende wereldbeelden  en wetenschappelijke en  economische ontwikkelingen. De ecologische crisis is ook een spirituele en culturele crisis. Vanuit dat inzicht krijgt het belang van een groene theologie meer perspectief. Vandaaruit beschrijft van Montfoort uitvoerig ‘het andere wereldbeeld van de bijbel’, dat een nieuwe actualiteit kan krijgen. Voor mij is het het belangrijkste gedeelte van het boek omdat er uitvoerig de Bijbelse lijnen rond natuur en milieu geschetst worden zoals die vanuit nieuwere theologische en exegetisch inzichten reliëf hebben gekregen. Zo komen uitvoerig de bekende eerste hoofdstukken van Genesis aan bod, die de laatste eeuwen veel te veel antropologisch, vanuit het belang van de mens verstaan zijn; maar ook teksten uit de profeten, de psalmen, het boek Job en het boek Spreuken. In Spreuken is sprake van Vrouwe Wijsheid, die goddelijke eigenschappen heeft, die de schepping doordringt en bemiddelt tussen God en wereld. Van hieruit lopen lijnen naar Christus en zijn rol bij de schepping en naar een ecofeministische theologie.

In dit hoofdstuk wordt ook ingegaan op de relatie van God tot de dieren, een thema dat veel te veel in de theologie verwaarloosd is, en op de redding van al het leven op aarde in het perspectief van een nieuwe hemel en een nieuwe aarde.

Eigentijdse ecotheologie

In twee hoofdstukken komt de eigentijdse ecotheologie aan bod, met speciale aandacht voor ‘Nederlandse ecotheologie’ (hoofdstuk3) en ‘Inzichten uit ecofeministische theologie wereldwijd’ (hoofdstuk 4).

In Nederland is de term rentmeester, vooral ook door de christelijke politiek partijen, veel gebruikt. Het is daarom goed dat hoofdstuk 3 begint met een fundamentele bijbelse kritiek op dit marginale bijbelse begrip, dat de mens tegenover de aarde plaatst, in plaats van hem/haar er verantwoordelijk deel van te laten zijn. Vervolgens passeren vooral de Protestantse theologen Barth, Miskotte, Smedes en Van den Brink, en de R.K. theologen Schillebeeckx, Oosterhuis en Halkes. Afgezien van de laatste worden de anderen kritisch belicht vanuit een dominante antropocentrische benadering van de verhouding God-mens-wereld. Positief wordt uitvoerig ingegaan op het geschrift van de Nederlands Hervormde Kerk ‘De gaarde een woestijn’ en op de pauselijke encycliek ‘Laudato Si’.

In het hoofdstuk over ecofeministische theologie worden vier vrouwelijke theologen  met een systematisch-theologische benadering besproken:
• Ivone Gebara, katholiek en Latijns-Amerikaans,
• Sallie McFague en • Catherine Keller – protestants en Noord Amerikaans, en
• Elisabeth Theokritoff – Europees en oosters-orthodox.
Vier uitvoerige beschrijvingen van deze boeiende theologen, waarbij kritische kanttekeningen niet ontbreken. Bij Theokritoff vraagt ze zich af of die wel tot de ecofeministische theologen gerekend kan worden. Zij maakt gender niet tot thema en er is nauwelijks kritiek op het patriarchale in haar kerk en traditie. In de bespreking van haar werk komt wel het grote belang van de ooster-orthodoxe theologie, met een overheersend pan-entheïstische visie, voor de ecologische theologie naar voren.
(Ik miste als het om Europa gaat het noemen van het boek van Sölle/Schotroff ‘De hemel aarden. Een ecofeministische benadering van de bijbel’ (1996), het enige Nederlandse boek met ecofeminisme in de titel).

Voortgaand gesprek

Op p. 176 schrijft van Montfoort: ‘Het Nederlandstalige ecotheologische discours is enerzijds zeer beperkt van omvang, anderzijds zeer veelvormig zoals uit bovenstaand overzicht van publicaties blijkt. Op enkele plaatsen wordt geprobeerd tot een breed oecumenisch gesprek te komen. Daar botsen soms theologische referentiekaders’. Vervolgens noemt zij vijf vragen die om verdere doordenking en gesprek vragen. Het zijn belangrijke vragen.
Maar specifiek naar aanleiding van haar boek en het voortgaand gesprek daarover heb ik een aantal vragen geformuleerd die bij het lezen bij mij opkwamen:

  1. Naar mijn indruk is het Nederlandstalige ecotheologische discours niet ‘zeer beperkt’. Als we dat, zoals zij in haar boek doet, beperken tot systematische theologie en de daarmee verbonden bijbelse theologie, komen de ecotheologische invalshoeken milieuspiritualiteit en milieuethiek tekort. Die horen thuis in een brede ecotheologie. Onder die noemers is relatief veel in Nederland verschenen. Milieu-ethiek is in die boeken meestal nauw verbonden met sociaal-economische vragen. In de visie op ‘integrale ecologie’ van ‘Laudato Si’ zijn die ook geïntegreerd. Van daaruit komt de politiek en politieke actie in zicht als integraal onderdeel van ‘groene theologie’. In de meest recente theologische boeken over klimaatverandering, zoals van Catherine Keller, krijgt de ‘politieke theologie’, nu verbonden met het geheel van de schepping, een centrale plaats.

    Hoe blijven we zicht houden op een integrale groene theologie? Boeken van de Braziliaanse Franciscaanse bevrijdingstheoloog Lonardo Boff, die ook de paus heeft geïnspireerd bij het schrijven van Laudato Si kunnen, naast de ecofeministische theologie, daarbij inspirerend zijn.

  1. Milieuspiritualiteit is in de kerkelijke geschiedenis in Nederland in gesprek geweest met stromingen als ‘New Age’, met denkbeelden over holisme en ‘deep ecology’. Ecotheologie kan ook niet los gezien worden van de tradities van andere religies en moet met het oog op een gezamenlijke toekomst veel aandacht krijgen. Bijzondere aandacht verdient daarbij de joodse ecotheologie. Daarin komen uit onze gezamenlijke bijbelse tradities verrassende inzichten naar voren vanuit het brede spectrum van richtlijnen uit de Thora over dagelijkse omgang met natuur en milieu. Vanuit de Raad van Kerken is in 2009 de Noach verklaring rond klimaatverandering verschenen met bijdragen van joodse, moslim en christelijke kant. Er verscheen ook een brochure waarin het gesprek werd gezocht met het belangrijke internationaal opgestelde ‘Handvest van de aarde’.

    Hoe integreren we dit type gesprekken en ontmoetingen in een groene theologie?

  2. In ‘Groene theologie’ komt een nogal somber beeld naar voren van wat er in de kerken rond groene theologie is gedacht en gedaan (bijv. op. p. 24, 37, 43). Er zou meer worden gedaan dan gedacht.
    Ik zie dat als een zeer subjectief en weinig onderbouwd oordeel, waarover ik anders denk. Veel van wat groene kerken nu doen komt voort uit bijbelse en theologische bezinning, zoals die ook lange tijd plaats vond rond de ‘Periode voor de schepping’, zoals die georganiseerd werd door het Christelijk Ecologisch Netwerk (CEN). En natuurlijk hopen we dat er, zowel in het denken als het doen, veel meer in de kerken gestimuleerd en gedaan zal worden. Maar we kunnen hier alleen maar goed zicht op krijgen vanuit een godsdienstsociologische analyse.

    Is de krimp van de kerken en de sterk afgenomen stem van de kerken in de samenleving wat betreft milieu en klimaat onevenredig afgenomen, of misschien eerder tegen de stroom in toegenomen? Het lijkt mij een vraag die direct te maken heeft met het moed houden en moed inspreken van de vele groepen en kerken die zich inzetten voor groene kerken.

  3. De milieucrisis en de klimaatcrisis verbinden zich met de centrale vragen naar de toekomst van mens en aarde, met vragen van optimisme en defaitisme, van alarmisme tegenover hoop op technische oplossingen. Theologisch: hoe we die vragen verbinden met spreken over de komst van het Koninkrijk en een nieuwe hemel en een nieuwe aarde.
    In ‘Groene theologie’ wordt zeer kritisch aangekeken tegen een lineaire geschiedenis. De theoloog Moltmann wordt als ‘eenzijdig’ lineair benoemd, terwijl hij duidelijk onderscheid maakt tussen vooruitgangsdenken en het leven uit de hoop, wat nog wat anders is dan optimisme (Het is jammer dat Moltmann, die ook voor Nederland baanbrekend is geweest met zijn pan-entheïstische ecotheolologie, met de nadruk op de Geest, zo goed als geen aandacht krijgt). Op p. 231 wordt van de hoop gezegd dat die ‘niet gebonden is aan de zekerheid van een happy end’.
    Zo vraag ik mij ook af wat bedoeld worden als van de ecofeministische theologie wordt gezegd dat ‘het niet een oerbegin en/of einde van de geschiedenis is dat het bestaan zin geeft, maar Gods aanwezigheid of werkzaamheid’. Worden hier niet twee theologische thema’s ten onrechte tegen elkaar uitgespeeld?
    Er zijn weinig theologen die de geschiedenis zien als een continu proces van vooruitgang. Er is terugval, soms blijft er maar een kleine rest over die trouw blijft, en zo weer nieuwe toekomst mogelijk maakt. In een messiaanse geschiedenis wisselen goede en slechte tijden elkaar af. Maar er is vertrouwen dat alles, wat in trouw aan Gods beloften en gebod gedaan wordt, verbonden mag worden met een definitieve messiaanse toekomst, een Koninkrijk van God waarin God ‘alles in allen is’. Juist in een tijd van klimaatverandering wordt van kerken gevraagd deze toekomstvisie theologisch en praktisch naar het heden te vertalen.  Dat hoeft niet optimistisch te zijn, maar wel met hoop.

 

– recensie door Hans Schravesande, augustus 2019