Spring naar inhoud

Wat is duurzaamheid?

Na de heidagen in september 2020 is er besloten dat duurzaamheid een verdiepend en verbindend thema wordt binnen de Raad van Kerken Nederland.
Duurzaamheid lijkt een duidelijk en eenduidig begrip. In gesprek en in de praktijk blijkt dit toch niet zo te zijn. Het is een containerbegrip en een stoplap geworden. De vraag is, wat bedoelen wij met duurzaamheid, als we daar binnen de Raad, en daar buiten, over spreken en handelen?

De werkgroep Theologie, Kerk en Duurzaamheid, TKD, heeft zich over deze vraag gebogen. Het blijkt niet makkelijk te zijn om duurzaamheid in een definitie te vatten, omdat die altijd te kort schiet. Maar een definitie biedt wel een kapstok om met elkaar in gesprek te gaan over wat duurzaamheid nu eigenlijk is. Hier geven wij een eerste aanzet in de vorm van een zeer korte reflectie op duurzaamheid vanuit drie invalshoeken. We hebben ons afgevraagd: Waar kunnen we ons, vanuit gelovig of bijbels perspectief, in deze definitie of benadering vinden en waar schiet die tekort of roept die vragen op?

 

Economische invalshoek

Wij hebben de definitie uit het Brundtlandrapport (‘Our common future’,1987) als uitgangspunt genomen. ‘Duurzame ontwikkeling is een ontwikkeling die voorziet in de behoeften van de huidige generaties, zonder de behoeften van toekomstige generaties in gevaar te brengen.’

Waar we ons in kunnen vinden is dat duurzaamheid gericht is op de toekomst en impliceert dat er alleen al daarom grenzen zijn aan het gebruiken van hulpbronnen van de aarde (anders komen de behoeften van toekomstige generaties in gevaar).

De grootste tekortkoming in deze definitie is, in ogen van de werkgroep TKD, dat de definitie uitgaat van de behoeften van de mens. De natuur/aarde wordt zo impliciet tot een instrument zonder eigen waarde. Dit doet geen recht aan het christelijk geloofsprincipe ‘Van God is de aarde en al wat daar leeft.’ Met andere woorden, in de definitie van Brundtland staat de mens centraal, terwijl het welzijn van de planeet met al haar leven en haar behoeften centraal zou moeten staan. Dan krijgt ook het woord ontwikkeling een andere dimensie. Die is dan niet gericht op economische groei, maar op kwaliteit van bodem, water en lucht en op kwaliteit van leven voor mensen, planten en dieren. Een belangrijke notie hierin is het besef dat de mens deel is van de natuur en dat alles met alles samenhangt. Mensen zijn voor hun bestaan afhankelijk van de natuur, maar hebben er tegelijkertijd grote invloed op. Uniek voor de mens is dat hij zich ook verantwoordelijk kan voelen voor zijn rol in het geheel.

 

Ecologische invalshoek

Een wetenschappelijke definitie vanuit de ecologie sluit aan bij Hueting & Reijnders, 1996. ‘Duurzaamheid wordt gedefinieerd als een toestand waarin de gebruiksmogelijkheden of de functies van de fysieke omgeving, namelijk water, bodem, lucht, natuurlijke hulpbronnen en planten en diersoorten tot in lengte van dagen beschikbaar blijven.’ In deze definitie wordt duurzaamheid als een toestand opgevat die op zich kan veranderen, maar duurzaam is zolang de gebruiksmogelijkheden ‘eindeloos’ beschikbaar blijven. Het gevaar hierbij is dat ‘de gebruiksmogelijkheden’ heel makkelijk vanuit menselijk perspectief ingevuld kunnen worden. Ecologisch gezien is dat echter niet de bedoeling. Het gaat om gebruiksmogelijkheden voor alle organismen. Vanuit levensbeschouwelijk oogpunt zijn er vele vragen te stellen. Bijvoorbeeld, is de fysieke omgeving louter bedoeld voor ‘gebruiksmogelijkheden’? Wat voor gebruiksmogelijkheden? Van wat voor beeld van ‘het netwerk van leven’ getuigt dit?

 

Een maatschappelijk invalshoek

Duurzaamheid gaat niet alleen over de fysieke omgeving, maar ook over de sociale. Vanuit de Wereldraad van Kerken werd al voor het uitkomen van het Brundtlandrapport een breder duurzaamheidsconcept gehanteerd in het begrip ‘sustainable society’. Daarin gaat het om de algehele kwaliteit van alle leven. Later is overigens ook in de Wereldraad van Kerken, onder druk van ontwikkelingslanden, ‘sustainable’  beperkt tot een ecologische component. Deze kan echter nog steeds niet zonder rechtvaardigheid (verdeling) en democratische participatie (‘a just, participatory and sustainable society’). Dit werd ook duidelijk in het conciliair proces voor ‘gerechtigheid, vrede en heelheid van de schepping’(rond 1989).

We realiseren ons dat deze drie benaderingen van duurzaamheid, die wel te onderscheiden maar niet te scheiden zijn, elkaar als het ware becommentariëren. In de werkgroep richten we ons vooral op ecologische duurzaamheid, binnen het totaal van aandacht voor duurzaamheid binnen de Raad van Kerken. We realiseren ons ook dat bovenstaande veel vragen oproept. Die vragen laten zien dat duurzaamheid een levensbeschouwelijk vraagstuk is. De uitdaging is nu om daar in theologische zin een ‘antwoord’ op de vinden. In de brochure ‘Van God is de aarde’ hebben we daartoe een eerste poging gedaan.

 

Zomaar een paar vragen die boven komen

Als we de eigen waarde van de natuur erkennen, hoe gaan we dan om met de belangen van mensen en natuur als deze (ogenschijnlijk) botsen? Wat is het recht van de niet menselijke natuur?

Als we het hebben over grenzen, wie of wat bepaalt die grenzen? En hoe gaan we met die grenzen om? Op basis waarvan?

Is de fysieke omgeving louter bedoeld voor ‘gebruiksmogelijkheden’? Van wat voor beeld van ‘het netwerk van leven’ getuigt dit?

Met dit soort vragen gaat de werkgroep Theologie, Kerk en Duurzaamheid verder, om zo bij te dragen aan een ecotheologische doordenking als fundament onder duurzaam handelen.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.