Spring naar inhoud

De Grote (Groene) Gelijkmaker

Daan Savert, 11 maart 2024

Na dertien jaar in Amsterdam gewoond te hebben, is verhuizen naar Arnhem een grote verandering. En toch moet je het relativeren: van de grote stad A. naar de kleine stad A., een stedeling ben ik nog steeds. Hoe stedelijk mijn gesteldheid is, valt te merken aan mijn lompe omgang met de natuur. Daarmee bedoel ik niet dat ik op de natuur neerkijk of die vernielzuchtig tegemoet treed. In tegendeel: ik waardeer de natuur, hemel haar op, en prijs haar aan als een van de grote genadegaven van het groene Gelderland, die je in de rusteloze Randstad toch in veel mindere mate geschonken wordt. Maar juist die waardering voor de natuur is lomp. Want waar er een diverse rijkdom aan flora en fauna op te noemen valt, kom ik veelal niet verder dan ‘boom’, ‘bos’ en ‘vogel’, of eenvoudigweg: ‘dé natuur’. Dat de lezer mij mijn lompheid moge vergeven.

Nieuwe herinneringen maken

Als je verhuisd bent, bouw je langzaam een band op met de nieuwe omgeving waar je bent neergestreken. Herinneringen gaan zich hechten aan specifieke plekken, en dat hechtingsproces kost tijd. Maar soms val je als een blok. Behalve voor ‘dé natuur’, deed ik dat voor de abdij Koningsoord, de trappistinnenabdij, die sprookjesachtig gelegen is, en waar een gemeenschap van zusters woont, werkt en zevenmaal daags bidt in hun kapel. Met regelmaat sluit ik aan bij de completen, het gebed aan het einde van de dag. Om er te komen, ga ik over een weg zonder straatverlichting en moet ik letterlijk een ‘opgang’ maken, wat alleen maar bijdraagt aan de schoonheid van dit hele ritueel. De verstilling en inkeer beginnen al op de fiets. 

Gedenk mens…

En dan is er de natuurbegraafplaats Koningsakker, die pal naast de abdij ligt. ‘Waar de doden rust vinden en de levenden op adem komen’, zo luidt het motto van deze plek. Op dinsdag 13 februari sluit ik me aan bij een rondleiding, die daar eens in de zoveel tijd gehouden wordt. Er is een warm en welkom onthaal, met koffie en vers brood, en we kijken door grote ramen naar buiten, waar de zon vredig over het veld schijnt. Onder de aanwezigen heerst een mix van eerbied en meligheid, een sfeer waarin ik me over het algemeen goed thuis voel.

Foto: Koningsakker

‘Je bent er wel vroeg bij, hè’, zegt een van de deelnemers tegen me tijdens de wandeling over de begraafplaats. En dan valt het kwartje. De mensen die aan deze rondleiding meedoen, stuk voor stuk ouder dan ik, oriënteren zich op wat misschien wel hun laatste rustplaats op deze aarde zal zijn. Natuurlijk! Zelf was ik gewoon uit nieuwsgierigheid gekomen, toch? Of… ben ik er wel erg vroeg bij? Nee, helemaal niet. Want dan besef ik ineens welke dag het morgen is. En zo begin ik enthousiast te praten over Aswoensdag, de dag waarmee de Vastentijd in aanloop naar Pasen ingeluid wordt. Iets te enthousiast. Lomp misschien zelfs. Het was niet nodig. Ik probeerde te zeggen wat deze plek als het ware ademde, wat tijdens de hele bijeenkomst in alles voelbaar was – in de woorden die de priester morgen zou uitspreken bij het plaatsen van het askruisje: ‘Gedenk, mens, stof zijt gij, en tot stof zult gij wederkeren.’

Teruggeven

Hoe hard de dood er ook in kan hakken, in het besef van onze sterfelijkheid zit iets bevrijdends. Daar kun je niet vroeg genoeg bij zijn. Rondom sterfbedden en op begraafplaatsen smelten allerlei onzinnige pretenties weg, en kan die helende mix van eerbied en meligheid ontstaan. Op een dag is het voorbij, en blijft er niets van je over. Daar is voor niemand een ontkomen aan – de dood is de Grote Gelijkmaker. Bij natuurbegraven wordt dat er nog iets meer ingepeperd. Je krijgt geen gedenksteen, slechts een boomstronkje voor wie dat wil. Wanneer dat boomstronkje vergaan is, mag je er nog één, maar daarna is het klaar. Nabestaanden kunnen het graf met GPS-coördinaten vinden. Je geeft jezelf als het ware terug aan – ja! – dé natuur. Ik vind het geen slecht idee. 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *